Ziekenhuiszorg
Servicecentrum Ziekenhuiszorg
Veel gestelde vragen
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe wordt de kostprijs van een DBC-zorgproduct bepaald?De kostprijs per zorgproduct wordt berekend door het landelijke gemiddelde zorgproductprofiel te vermenigvuldigen met de kostprijs per zorgactiviteit. De kostencomponent van het DBC-zorgproduct wordt vervolgens door middel van indexatie op het niveau van het jaar waarin de tarieven gelden gebracht. De indexfactor per jaar wordt door de NZa vastgesteld. De kostprijs per zorgactiviteit wordt bepaald in samenwerking met de referentiegroep kostprijzen. Dit is een groep van enkele tientallen algemene, academische en topklinische ziekenhuizen die lokale kostprijzen volgens een door DBC-Onderhoud vastgesteld model aanleveren. Uit deze lokale kostprijzen wordt een landelijk gemiddelde kostprijs per zorgactiviteit bepaald. In het B-segment kan over de ziekenhuiscomponent van het onderhandeld worden en komen de ziekenhuizen samen met de verzekeraars tot een lokaal kostentarief. In het A-segment stelt de NZa de landelijke kostprijs per zorgproduct vast (berekend door DBC-Onderhoud). Deze methode is gelijk aan de manier waarop de DBC-tarieven tot stand kwamen. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in het document Toelichting Tarieven DOT RS05 V20100701. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat betekent de processtap "afleiden" in de DBC-systematiek vanaf 2012?Afleiden is na de registratie en het samenvatten de derde processtap in de DBC-systematiek vanaf 2012. Het is de laatste stap voordat een zorginstelling de geleverde zorg kan declareren. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat is de zorgproductenviewer en hoe krijg ik toegang?De zorgproductenviewer (ZPV) is een website waarop een belangrijk onderdeel van de DBC-systematiek ziekenhuiszorg vanaf 2012 kan worden geraadpleegd, de declarabele DBC-zorgproducten. De ZPV is feitelijk de productcatalogus van de nieuwe systematiek. Het toont welke combinaties van zorg tot declarabele producten leiden en biedt daarnaast diverse gegevens over het DBC-zorgproduct zelf, zoals tarief, segment, of er sprake is van aanspraakbeperkingen, enzovoorts. Kortom, de ZPV toont wat als processtap 'afleiden' gebeurt in de grouper. De zorgproductenviewer is vrij toegankelijk en is te vinden op http://zorgproductenviewer.dbconderhoud.nl/. Op deze site vindt u ook een introductie over het gebruik van de zorgproductenviewer en in de verschillende onderdelen vindt u handleidingen die u vertellen wat u op een pagina ziet en wat u kunt doen. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat is/betekent ICD10 en waar wordt de ICD10 voor gebruikt in de DBC-systematiek?De ICD-10 is de tiende editie van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems, onderhouden door de World Health Organisation (WHO). Het is een internationaal gehanteerde lijst van ziekten. Op basis van de ICD10 hoofd- en subhoofdstukken zijn bij de ontwikkeling van de DBC-systematiek 2012 diagnosegroepen gevormd, waaronder weer verschillende groepen van behandelingen vallen. De DBC diagnosecodes zijn gekoppeld (mapping) aan deze hoofd- of subhoofdstukken. Op die manier was het mogelijk medisch herkenbare zorgproducten te ontwikkelen en is het beter mogelijk internationale vergelijkingen te maken omdat de ICD een internationaal gebruikt systeem is. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat houdt de processtap "samenvatten" in de DBC-systematiek vanaf 2012 in?Het samenvatten houdt in dat de geregistreerde typerende diagnose, zorgactiviteiten en overige informatie uit het zorgtraject samengevat wordt in één gestructureerde dataset. Op basis van deze dataset kan de grouper declarabele zorgproducten afleiden. Het samenvatten is het selecteren van een subtraject uit een zorgtraject waarbij de bijbehorende zorgactiviteiten worden gekoppeld. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een koppelalgoritme in het ZIS-systeem van de zorginstelling. Dit algoritme koppelt zorgactiviteiten uit 'de grote bak' met alle zorgactiviteiten van een patiënt aan het specifiek subtraject op basis van:
Als koppeling op basis van bovenstaande criteria niet mogelijk is, dan wordt als vangnet de zorgactiviteit aan het laatst geopende zorg(sub)traject gekoppeld. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wanneer is sprake van een zorgtraject, een subtraject en een declaratietraject in de DBC-systematiek vanaf 2012?Wanneer een patiënt met een zorgvraag bij de medisch specialist komt, wordt in de DBC-registratie een zorgtraject geopend. Bij het zorgtraject worden alle uitgevoerde zorgactiviteiten (verrichtingen) vastgelegd die bij de patiënten in het kader van diagnostiek en behandeling zijn uitgevoerd. Een zorgtraject wordt geïdentificeerd door middel van het zorgtrajectnummer. Gedurende het behandelproces kan op bepaalde momenten – die in de registratieregels zijn beschreven - de geleverde zorg worden gedeclareerd. De periode van een zorgtraject waarover de geleverde zorg is gedeclareerd, heet een subtraject. In een zorgtraject kunnen dus één of meerdere (seriële) subtrajecten worden onderscheiden. Een declaratietraject is feitelijk het subtraject wat gedeclareerd wordt. |
![]() | ![]() | ![]() |
Bestaan in de productstructuur vanaf 2012, ook nog Overige producten (OVP), Ondersteunende producten (OP) en overige trajecten en verrichtingen?Ja, in principe verandert hier niets aan na 1-1-2012. Dit zijn nog steeds declarabele zorgproducten. Er is wel een onderscheid in de wijze waarop deze producten worden gedeclareerd. OVP's moeten via de grouper worden verzonden en kunnen daarna pas gedeclareerd worden. OP's en overige trajecten en verrichting gaan buiten de DBC-systematiek en daarmee buiten de grouper om. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe is zorgzwaarte verwerkt in de DBC-zorgproducten in de DBC-systematiek vanaf 2012?In de productstructuur vanaf 2012 is veel meer dan in de eerdere productstructuur rekening gehouden met zorgzwaarte. Dit uit zich in producten van verschillende zwaarte bij gelijke diagnose(groep). Bijvoorbeeld: |
![]() | ![]() | ![]() |
Waarom zijn de bomen niet gemaakt op basis van richtlijnen en protocollen, maar op basis van DIS-data?DBC-Onderhoud ontwikkelt en onderhoudt DBC's, als kernelement voor bekostiging. Bekostiging is dan ook het centrale element in de nieuwe productstructuur. Richtlijnontwikkeling beoogt richting te geven aan medisch handelen op individueel patiënt niveau, wat ook ten gunste kan komen van de interdoktervariatie. Meer dan in de oude DBC-structuur zijn groepen patiënten die als zodanig ook binnen richtlijnen te herkennen zijn, herkenbaar in de producten. Voor zorgverzekeraars kan dit aangrijpingspunten bieden om te sturen op handelen volgens de richtlijnen. |
![]() | ![]() | ![]() |
Waar moet een DBC-zorgproduct aan voldoen?Een DBC-zorgproduct moet een medisch herkenbaar, normtijd- en kostenhomogeen product zijn. De kostenhomogeniteit betreffende de ziekenhuiskosten wordt weergegeven door de CV-waarde van het product. De CV-waarde (Coëfficiënt of Variance) is een statistische maat voor de homogeniteit van de kosten of normtijd van een DBC-zorgproduct. De CV-waarde wordt berekend als de standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde. Hoe lager de CV-waarde, hoe homogener het product is. |
![]() | ![]() | ![]() |
Waarom staan in de beslisbomen van de DBC-systematiek vanaf 2012 de minst voorkomende DBC-zorgproducten bovenaan terwijl bijvoorbeeld meer patiënten op de poli worden gezien dan dat operaties worden uitgevoerd?Tijdens de looptijd van een zorgtraject kunnen naast polikliniekbezoeken ook een opname of operatie voorkomen. Door eerst op de zwaarste zorgactiviteit(en), de opname of operatie, uit te vragen wordt voorkomen dat de geleverde zorg in het verkeerde, lichtere, DBC-zorgproduct belandt. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe zijn de pre-MDC's tot stand gekomen in de ontwikkeling van zorgproductgroepen voor de DBC-systematiek vanaf 2012?Zie ook FAQ 'Ontwikkeling zorgproductgroepen DBC-systematiek 2012'. Elf pre-MDC's zijn ontwikkeld op basis van het criterium 'specialisme':
Het criterium 'WBMV zorgactiviteit' en/of bepaalde daaraan gerelateerde diagnosetyperingen heeft geleid tot de ontwikkeling van een zestal 'WBMV-pre-MDC's':
En tot slot zijn er pre-MDC's ontwikkeld voor:
|
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe zijn de zorgproductgroepen tot stand gekomen tijdens de ontwikkeling van de DBC-systematiek vanaf 2012?Op basis van de ICD-10 hoofdgroepen en subgroepen ('blokken') zijn DBC-diagnosegroepen gevormd. Daartoe zijn alle bestaande DBC diagnoses vertaald naar ICD10-hoofdstukken en bijbehorende (sub)blokken, de zogenaamde ICD10-mapping. In de tabel Relatie Diagnose Zorgproductgroepen Tabel v20110701 is per DBC-diagnose te zien in welke ZPG deze 'hard' is ingedeeld. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe kan de DBC-systematiek transparanter worden als er in de nieuwe productstructuur veel minder declarabele zorgproducten zijn?Een DBC-zorgproduct is geen geaggregeerd cluster van DBC's, ondanks dat het aantal DBC-zorgproducten ten opzichte van DBC's dit wel doet vermoeden (resp. 4.400 versus 30.000). Wat voor 2012 in een DBC werd geregistreerd kan naar één of meerdere DBC-zorgproducten worden herleid en andersom kan een DBC-zorgproduct zijn ontstaan uit een of meerdere DBC's. Twee voorbeelden: de DBC met diagnose "arthrosis knie en behandeling operatief met knieprothese" wordt o.a. opgesplitst in het DBC-zorgproduct "arthropathieën met menisectomie" en DBC-zorgproduct "arthropathieën met knieprothese". Andersom leiden zowel de DBC's "arthrosis knie operatief met knieprothese" en de DBC "meniscuslaesie operatief" naar het DBC-zorgproduct "arthropathieën met menisectomie". In sommige gevallen is een DBC-zorgproduct dus een verfijning van de huidige DBC's en in andere gevallen is een DBC-zorgproduct een samenvoeging van een aantal DBC's. Uiteindelijk hebben we (in 2012) te maken met ongeveer 4.400 DBC-zorgproducten. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat verandert er eigenlijk aan de DBC-systematiek per 1-1-2012?Vanaf 1-1-2012 verandert de DBC systematiek op een aantal punten, onder andere:
|
![]() | ![]() | ![]() |
Op de oude website stonden meer FAQ's, zijn die nog ergens terug te vinden?Er is een opschoning van de FAQs geweest omdat sommige vragen en antwoorden niet meer relevant waren of omdat gebruikte codes in de antwoorden inmiddels niet meer geregistreerd worden. De vragen en antwoorden zijn echter nog wel te raadplegen in het volgende document: |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat verandert er eigenlijk aan de DBC-systematiek per 1-1-2012?Vanaf 1-1-2012 verandert de DBC-systematiek op een aantal punten, onder andere:
|
![]() | ![]() | ![]() |
Gelden voor cardiologie ook de algemene (42 en 90 dagen) afsluitregels?Nee, voor cardiologie gelden enkel de specifieke cardiologie-afsluitregels. In de specialismespecifieke toelichting Cardiologie v2011115 staat per abuis (pagina 5) dat een klinisch subtraject met zorgtype 21 volgens de algemene regels wordt afgesloten. Dit betekent dat de 42-dagenregel voor klinische subtrajecten niet geldt voor cardiologie. Bij de eerstvolgende uitlevering zal de specialismespecifieke toelichting op eerder genoemd punt worden aangepast. |
![]() | ![]() | ![]() |
Waarom ontbreekt in RZ12b een aantal specialismespecifieke toelichtingen?Er is alleen een specialismespecifieke toelichting geschreven voor de specialismen waarvoor vanaf 1-1-2012 uitzonderingen op de algemene registratieregels gelden en/of waarvoor aanvullende informatie beschikbaar is. Voor de overige specialismen gelden de algemene registratieregels. Dit is dan ook de reden dat er geen specialismespecifieke toelichting is uitgeleverd voor de specialismen orthopedie, neurochirurgie, allergologie, cardio-pulmonale chirurgie, neurologie, radiologie, anaesthesiologie en klinische genetica. De specialismespecifieke toelichtingen spelen een rol per 1 januari 2012. Hierbij geldt dat DBC's geopend vóór 1 januari 2012 ook in 2012 nog geregistreerd worden volgens de instructies per specialisme, terwijl voor subtrajecten geopend in 2012 de registratieregels met eventuele bijbehorende specialismespecifieke toelichtingen gelden. |
![]() | ![]() | ![]() |
Is het vanaf 1-1-2012 verplicht om aansluitend op een subtraject met ZT11 een subtraject met ZT21 te openen?Ja, bij het sluiten van een subtraject met ZT11 wordt er aansluitend (één dag na het sluiten van ZT11) een subtraject met ZT21 geopend. Deze regel is ingevoerd ten behoeve van de automatiseerbaarheid van de registratieregels. De regel is opgesteld in afstemming met partijen zoals de NVZ, ZN en de NZa. In situaties dat een patiënt toch onverwacht terugkomt (of nog zorgactiviteiten voortvloeien uit het eerder afgesloten subtraject) staat er zodoende automatisch een subtraject open waarin de geleverde zorg geregistreerd kan worden. Een zorgtraject met één of meerdere subtrajecten met ZT11 of 21 wordt afgesloten als het laatste subtraject 365 dagen opengestaan heeft zonder dat er zorgactiviteiten in geregistreerd zijn en er ook geen zorgactiviteiten meer gepland zijn in de toekomst. Alleen bij overlijden van de patiënt kan het zorgtraject eerder worden afgesloten. |
![]() | ![]() | ![]() |
Moeten de medisch specialisten in de DBC-systematiek vanaf 2012 nog diagnosen registreren of gaat dat automatisch? En wordt dan alleen met ICD10-diagnosen geregistreerd?De medisch specialisten bepalen nog steeds de diagnose waarvoor een patiënt wordt behandeld en deze moet dan ook nog steeds worden vastgelegd. In de Nederlandse zorginstellingen wordt geregistreerd met de DBC-diagnosecodes die ook in de DBC-systematiek 2005-2011 werden gebruikt. Voor het vastleggen van de diagnose kan de specialist gebruik maken van de 'eigen' typeringslijst. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat gebeurt er met een patiënt die bij binnenkomst direct doorverwezen wordt naar een tertiair centrum of de Intensive Care (IC)?Wanneer de patiënt direct naar een tertiair centrum gaat, wordt geen zorgtraject geopend. Het tertiaire centrum opent het zorgtraject, registreert de zorgactiviteiten en declareert. Wanneer de patiënt direct naar de IC-afdeling van het eigen ziekenhuis gaat, wordt een (dummy) zorgtraject geopend en tevens een zorg/subtraject op de IC-afdeling (met zorgtype 52). Vanuit het eerste zorgtraject wordt een verwijzing opgenomen naar het zorgtraject op de IC. Voor meer informatie over deze IC-registratie wordt verwezen naar de registratieregels en toelichtingen daarbij. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe wordt medebehandeling geregistreerd nu er sprake is van specialismenoverstijgende DBC-zorgproducten in de DBC-systematiek vanaf 2012?We spreken over een specialismenoverstijgend zorgproduct wanneer een bepaald zorgproduct door meerdere medisch specialisten kan worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld een ooglid correctie die door zowel de oogarts, de chirurg of de plastisch chirurg kan worden uitgevoerd. Wanneer een DBC-zorgproduct het resultaat is van een multidisciplinaire behandeling, zoals de behandeling van schizis ('hazenlip'), wordt gesproken over een multidisciplinair zorgproduct. In de DBC-systematiek vanaf 2012 zijn nog geen multidisciplinaire zorgproducten opgenomen; de producten zijn monodisciplinair. Er is sprake van medebehandeling wanneer een specialist de patiënt (die reeds onder behandeling is bij een ander specialisme) voor een eigen zorgvraag (bij zijn/haar specialisme) therapeutisch gaat behandelen. Bij medebehandeling opent elk betrokken poortspecialisme een eigen zorgtraject en registreert daar de zorgactiviteiten bij. Wanneer ook niet-poortspecialismen betrokken zijn dan registreren zij de door hen uitgevoerde zorgactiviteiten in het zorgtraject van de hoofdbehandelaar. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wanneer wordt een DBC-zorgproduct geopend en gesloten?In de DBC-systematiek vanaf 2012 worden zorgtrajecten en subtrajecten geopend. Wanneer de patiënt bij een poortspecialisme komt met een (geplande of spoedeisende) zorgvraag wordt een nieuw zorgtraject geopend. Wanneer bij de patiënt bij dat specialisme al een zorgtraject geopend is, dienen de verrichtingen (zorgactiviteiten) in principe bij dat zorgtraject te worden geregistreerd. Alleen wanneer er sprake is van een andere, nieuwe zorgvraag dan het reeds lopende traject, waarvan de behandeling niet past binnen dat reeds lopende zorgtraject, mag een nieuw (parallel) zorgtraject worden geopend. In een zorgtraject mag op bepaalde momenten worden gedeclareerd. Deze momenten worden bepaald door de afsluitregels en kunnen worden geautomatiseerd in het ZIS van de zorginstelling.
Daarnaast gelden diverse uitzonderingen, die echter wel weer voor een groot deel kunnen worden geautomatiseerd. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de diverse documenten betreffende de registratieregels. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe worden de verrichtingen op de IC en dure geneesmiddelen opgenomen in de DBC-systematiek vanaf 2012?In de DBC-systematiek vanaf 2012 zijn dure geneesmiddelen en behandeling van patiënten op de IC aangemerkt als een zogenaamde add-on. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe vindt de registratie van DBC’s en subtrajecten plaats tijdens de overgang van 2011 naar 2012?Door DBC-Onderhoud is een document opgesteld dat toelicht wat de juiste registratie is bij de twaalf meest voorkomende scenario’s in de overgang van 2011 naar 2012. Klik hier voor het document Verduidelijking registratie en declaratie overloop-DBC's. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat mag worden geregistreerd bij een second opinion?Als een second opinion wordt aangevraagd, zijn twee situaties te onderscheiden: Als een patiënt bij een andere specialist van hetzelfde specialisme van hetzelfde ziekenhuis komt voor een second opinion, wordt geen nieuw DBC-zorgproduct geopend, maar valt dit binnen het DBC-zorgproduct van de hoofdbehandelaar. Als een patiënt voor een second opinion naar een andere specialist in een ander ziekenhuis gaat, wordt een nieuw DBC-zorgproduct met zorgtype reguliere zorg geopend. Twee specialismen kennen een specifieke diagnosecode voor een second opinion, te weten Plastische chirurgie (diagnose 002) en Neurochirurgie (diagnose 4830). |
![]() | ![]() | ![]() |
Zijn er in de DBC-systematiek vanaf 2012 nog initiële en vervolg-DBC's?In de DBC-systematiek vanaf 2012 wordt nog maar bij een zeer beperkt aantal DBC-zorgproducten onderscheid gemaakt in initiële en vervolgtrajecten. Binnen een zorgtraject wordt wel onderscheid gemaakt in initiële subtrajecten (dit is het eerste subtraject binnen het zorgtraject) en vervolg-subtrajecten (dit zijn de daarop volgende subtrajecten). Dit onderscheid heeft slechts in enkele gevallen consequenties voor de DBC-zorgproducten die worden afgeleid. Het onderscheid kan echter wel een rol spelen bij het bepalen van het moment waarop een subtraject mag worden afgesloten (en gedeclareerd). Dit is nader toegelicht in de registratieregels die gelden vanaf 2012. |
![]() | ![]() | ![]() |
In de Zorgactiviteiten Tabel staat de WBMV-status per zorgactiviteit aangegeven en in de DBC Eindklassetabel staat een WBMV-status per DBC. Deze statussen komen niet altijd overeen. Waar moet een ziekenhuis nu van uitgaan?Het Ministerie van VWS stelt de WBMV-indicatie vast en verleent de vergunningen. Binnen de DBC-systematiek 2005- 2011 is op DBC-niveau aangegeven voor welke DBC's een WBMV-vergunning vereist is. Vanaf 2012 wordt op zorgactiviteitenniveau aangegeven of een zorgactiviteit WBMV-vergunningplichtig is. Bij de afleiding van het DBC-zorgproduct in de grouper zal middels de WBMV-code die al dan niet aan zorgactiviteiten is toegekend, het zorgproduct waarop dat van toepassing is als WBMV-zorgproduct gelabeld worden. In de DBC Zorgactiviteiten Tabel v20090601 (en elke versie sindsdien) is ter voorbereiding op 2012 per zorgactiviteit aangegeven of het een zorgactiviteit betreft die WBMV-plichtig is. Binnen de DBC-systematiek die geldig is tot 31-12-2011 is dit onderscheid nog niet relevant en wordt in de DBC Eindklassetabel per mogelijke DBC aangegeven of er sprake is van WBMV-zorg. Om te bepalen of een DBC (t/m 31-12-2011) onder de WMBV-zorg valt is de eindklassetabel in principe leidend en speelt de WMBV-labeling op zorgactiviteitenniveau geen rol. Wanneer nodig voert VWS wijzigingen door in de WBMV-erkenningen. In het verleden werden deze wijzigingen doorgevoerd in de eindklassetabel. Er is echter besloten geen onderhoud meer te plegen op de structuur 2005-2011, wat o.a. inhoudt dat er geen wijzigingen in de WBMV-status van DBC's doorgevoerd worden. Hierdoor kan discrepantie ontstaan tussen de WBMV-status op DBC-niveau zoals die is aangeven in de eindklassetabel en de actuele WBMV-wetgeving. In die gevallen kunnen de verschillende Ministeriele regelingen uitsluitsel geven over het al dan niet vergunningplichtig zijn van de geleverde zorg. Deze regelingen vindt u via de website www.wetten.overheid.nl. |
![]() | ![]() | ![]() |
In de Zorgactiviteiten Tabel is een zorgactiviteit in principe altijd enkelzijdig, maar sommige onderzoeken en behandelingen worden standaard dubbelzijdig uitgevoerd. Moeten daar dan twee keer de passende zorgactiviteit worden geregistreerd?Met de DBC Zorgactiviteiten Tabel die op 1 april 2009 is uitgeleverd (en alle versies sindsdien) is de registratie van zorgactiviteiten enkelzijdig gemaakt. De intentie is om hiermee de registratie van operaties die enkelzijdig of dubbelzijdig kunnen worden uitgevoerd, ongeacht of dit in één of meerdere zittingen gebeurt, te verduidelijken. Dergelijke ingrepen zullen nu altijd enkelzijdig worden geregistreerd, waarbij ingeval van een dubbelzijdige ingreep de enkelzijdige zorgactiviteit twee keer wordt vastgelegd. De productstructuur die geldig is vanaf 2012 is onder andere met dit uitgangspunt ingericht. Bij niet-invasieve diagnostiek zoals echo, röntgen en gehooronderzoeken worden dubbelzijdige organen in beeld worden gebracht en/of gediagnosticeerd. Bij deze onderzoeken kan de vraag worden gesteld of de zorgactiviteiten nu ook enkelzijdig moeten worden geregistreerd. Hier geldt echter dat niet het dubbelzijdige orgaan, maar het onderzoek zelf het uitgangspunt. Het onderzoek betreft in dit geval alle handelingen die nodig zijn om tot de conclusie of diagnose te komen. Zo wordt bijvoorbeeld bij een MRI Mammo standaard een scan gemaakt van beide borsten tegelijkertijd. Dit impliceert eenmaal registreren van het totale onderzoek. Bij een reguliere mammografie worden altijd foto's uit meerdere richtingen van beide borsten gemaakt; het advies luidt ook hier één keer vastleggen. Een ander voorbeeld is het toondrempelaudiogram waarbij standaard beide oren beoordeeld worden, dit betekent wederom één keer registeren. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat mag worden geregistreerd als een patiënt twee maal op één dag op de polikliniek wordt gezien in het kader van een onderzoek- of behandelstraat?De ontwikkeling van zogenaamde "one-stop-shops" gaat uit van patiëntvriendelijke behandeling waarbij op één dag achtereenvolgend een polikliniekbezoek, onderzoeken en nogmaals een polikliniekbezoek plaatsvinden (om de uitslagen te bespreken). De validatiemodule zal bij de registratie van één polibezoek en goedkopere diagnostiek afleiden naar een consult-DBC die geen recht doet aan de inzet die is gepleegd en de kosten die zijn gemaakt. Er is in dat geval geen bezwaar tegen het vastleggen van twee (ingeplande) polibezoeken op een kalenderdag. Bij het registreren van een consult dient wel altijd face-tofacecontact te zijn geweest met de medisch specialist en kan uiteraard maar één EPB worden vastgelegd. Daarna volgt een herhaalbezoek. Op de SEH is het niet toegestaan meerdere consulten vast te leggen, ook al zijn er meerdere contactmomenten. Spoedeisende zorg is niet vooraf ingepland en rechtvaardigt geen extra consult op een kalenderdag. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wanneer mag zorgactiviteit 190005 (Multidisciplinair overleg (MDO)) worden geregistreerd en hoe wordt de inzet van de verschillende specialismen daarin aangegeven?De zorgactiviteit voor het MDO komt voor in oncologische richtlijnen en protocollen, maar ook in andere richtlijnen. Dit betekent in de praktijk dat alle medisch specialisten gebruik kunnen maken van deze zorgactiviteit. Voorbeeld 1:
Voorbeeld 2: |
||
![]() | ![]() | ![]() |
Mogen OVP's "prenatale screening" aangevraagd worden door een gynaecoloog?Indien prenataal onderzoek plaatsvindt in het kader van een zorgvraag waarvoor een DBC is geopend, valt deze diagnostiek binnen die reeds openstaande DBC. Er worden in dat geval geen OVP's "prenatale screening" gedeclareerd. Is de patiënte echter onder behandeling bij een gynaecoloog en komt ze daarnaast ook in aanmerking voor een Overig product "prenatale screening" dan kan het Overig product apart gedeclareerd worden. Om te beoordelen of daadwerkelijk sprake is van een OVP of een DBC, moet onderscheid gemaakt worden tussen prenatale screening en prenatale diagnostiek. Voor de Overige producten "prenatale screening" is echter per 1 januari 2008 hierop een uitzondering gemaakt. Voor de declaratie van de prestaties prenatale screening 037510, 037512, 037514 en 037516 is geen verwijzing van de eerste lijn noodzakelijk. Ook de gynaecoloog kan aanvrager zijn van een van onderstaande OVP's:
|
![]() | ![]() | ![]() |
Als de nieuwe zorgactiviteiten die per 1 januari 2012 kunnen worden geregistreerd worden gebruikt in een DBC die is geopend in 2011, gaat dat dan wel goed met de validatie?Ja, dat gaat goed. De validatietabellen worden hierop aangepast. Bij de uitlevering van de nieuwe zorgactiviteiten worden ook de Afleiding behandelas tabellen per specialisme opnieuw uitgeleverd om het valideren van DBC's uit 2011 in combinatie met de nieuwe zorgactiviteiten mogelijk te maken. Daarbij wordt dus ook rekening gehouden met de openingsdatum van de DBC en de registratiedatum en geldigheidsdatum van de zorgactiviteit. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe weet de zorgverzekeraar of het DBC-zorgproduct echt door de grouper is afgeleid?De declarabele zorgproducten die door de grouper worden afgeleid op basis van de aangeleverde declaratiedataset worden verzegeld teruggestuurd aan de aanbieder van de set. Deze zegel wordt vervolgens met de declaratie meegestuurd aan de zorgverzekeraar en garandeert de zorgverzekeraar dat het gaat om een declaratie die door de grouper is afgeleid en dat de meegeleverde gegevens integer zijn. Deze zegel komt in de vorm van een code, de hashcode. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe kan ik weten welke eisen er gelden voor de afleiding naar een bepaald DBC-zorgproduct?U kunt met de zorgproductenviewer nagaan welke specifieke zorgactiviteiten (of andere gegevens) worden uitgevraagd om op een bepaald DBC-zorgproduct af te leiden, hoe de boom is opgebouwd en door middel van welke stappen op het specifieke DBC-zorgproduct wordt terechtgekomen. |
![]() | ![]() | ![]() |
Houdt de grouper data zoals patiëntgegevens of informatie over gewijzigde zorgtrajecten vast?De grouper neemt en geeft terug maar houdt absoluut geen data vast. Er worden alleen gegevens over de benodigde verwerkingstijd en dergelijke gelogd. Dit om te kunnen bewaken dat de grouper blijft voldoen aan de gestelde eisen, in te kunnen spelen op trends en dergelijke. |
![]() | ![]() | ![]() |
Is de grouper wel veilig?Ja, de grouper is veilig. Middels het UZI-certificaat wordt identificatie (wie ben je) en authenticatie (ben je diegene die je zegt dat je bent) van een zorginstelling verzorgd. De gegevens worden via een beveiligde verbinding verstuurd. Daarnaast wordt voor de grouper zelf onder andere voldaan aan de NEN-normen voor informatiebeveiliging in de zorg en is het CSC DataCenter waar de grouper is gehost gecertificeerd volgens de ISO-norm voor informatiebeveiliging. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe snel krijg ik retourinformatie, wat is de responsetijd van de grouper?De grouper verwerkt een declaratiedataset gemiddeld in 95% van de gevallen maximaal 1,5 seconde als het systeem verder niet belast is. De verwerking neemt dus niet erg veel tijd. Wanneer u de informatie retour krijgt is verder mede afhankelijk van de snelheid van uw internetverbinding en de snelheid van uw eigen interne netwerk. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat is het verschil tussen wat de grouper doet vanaf 2012 en de validatiemodule die daarvoor werd gebruikt?Valideren was het controleren of de gekozen DBC-typering (met name de behandeling) past bij de uitgevoerde zorgactiviteiten. Hierbij moest de specialist dus ook nog een behandelas vastleggen. Bij het afleiden in de grouper wordt eerst bepaald in welke productboom het product zal vallen op basis van de geregistreerde diagnose. Binnen een zorgproductgroep wordt vervolgens o.a. gekeken of bepaalde zorgactiviteiten aanwezig zijn en in welke hoeveelheid (verpleegdagen, polibezoeken). Zo wordt een beslisboom van de zorgproductgroep doorlopen en wordt uiteindelijk een passend DBC-zorgproduct bepaald. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat is de grouper en wat gebeurt er in de grouper?Per 1 januari 2012 is de vernieuwde DBC-systematiek van kracht, zoals beschreven in het verbeterplan DBC's op weg naar Transparantie. Vanaf 1 januari 2012 worden declarabele DBC-zorgproducten uit de DBC-registratie afgeleid. Dit afleiden gebeurt met de zogenaamde grouper. De zorgaanbieder stuurt gegevens over de geleverde zorg (zoals diagnose, zorgactiviteiten, dure geneesmiddelen) in de vorm van een declaratiedataset naar de grouper. De grouper is een software applicatie geleverd en onderhouden door DBC-Onderhoud. De grouper leidt uit de aangeleverde dataset zorgproducten en/of add-ons af. Deze worden voorzien van een verzegeling (hashcode) en naar de zorginstelling teruggestuurd. De zorgaanbieder kan deze vervolgens declareren. Na verwerking blijft géén inhoudelijke informatie in de grouper achter. Alleen informatie zoals het aantal aanvragen in een bepaalde periode wordt bijgehouden in verband met performance- en capaciteitsbewaking. In de DBC-systematiek die geldig is tot 31 december 2011 is sprake van validatie, in de systematiek vanaf 1 januari 2012 is sprake van afleiding. In relatie tot het 'oude systeem' kun je min of meer zeggen dat de grouper doet wat voorheen binnen de validatiemodule gebeurde aan de hand van onder andere de Afleiding behandelas in combinatie met de Eindklassetabel. Het kan voorkomen dat er uitvalproducten worden afgeleid of dat er foutmeldingen terugkomen vanuit de grouper die aangeven waarom de gegevens niet verwerkt konden worden. In dat geval zijn er uitzonderlijke (combinaties van) gegevens in de aangeleverde declaratiedataset aangetroffen. |
![]() | ![]() | ![]() |
Als eenmaal de gegevens van een patiënt zijn aangeleverd aan de grouper, kan er dan nog iets worden gewijzigd?Ja, dat kan. Als u het bijvoorbeeld ontdekt dat het DBC-zorgproduct waarop is afgeleid onjuist is omdat er bijvoorbeeld toch nog meer zorgactiviteiten zijn uitgevoerd die aan dit product zouden moeten worden gekoppeld, kunt u dit alsnog doen. De verzegeling is dan niet meer geldig en de (vernieuwde) dataset moet opnieuw aan de grouper worden aangeboden alvorens het gedeclareerd kan worden (met een nieuw verkregen zegel). |
![]() | ![]() | ![]() |
In de grouper leidt een bepaalde declaratiedataset af naar DBC-zorgproduct X waar werd verwacht dat DBC-zorgproduct Y zou worden afgeleid. Is na te gaan waar dit verschil ontstaat?Deze vraag kunt u analyseren met de zorgproductenviewer (ZPV). U heeft twee mogelijkheden:
Zie voor meer informatie over de ZPV de introductie op de hompage van de ZPV (http://zorgproductenviewer.dbconderhoud.nl/) en de handleidingen die in de verschillende onderdelen te raadplegen zijn. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat betekent de processtap “afleiden” in de DBC-systematiek vanaf 2012?Afleiden is na de registratie en het samenvatten de derde processtap in de DBC-systematiek vanaf 2012. Het is de laatste stap voordat een zorginstelling de geleverde zorg kan declareren. Voor het afleiden van een zorgproduct uit de diagnose en het zorgprofiel wordt gebruik gemaakt van de grouper, die als een webservice voor de zorginstellingen beschikbaar is. De zorginstelling stuurt een declaratiedataset naar de grouper, die hieruit één zorgproduct en eventueel één of meer add-ons afleidt op basis van de productstructuur die geldig is/was op het moment van de openingsdatum van die declaratiedataset. |
![]() | ![]() | ![]() |
In de DBC-ZP Conversietabel is de kolom TrajectAandeel opgenomen. Deze kolom geeft weer welke fractie DBC-productie er naar het zorgproduct gaat. Waarom tellen deze fracties niet naar precies één op?Voor de conversie zijn alle data van één zorgtraject van één patiënt, afgesloten in één jaar (2009) samengevoegd. Voor dezelfde zorgvraag kunnen meerdere DBC’s zijn geregistreerd (bijvoorbeeld initieel en vervolg), die tot één traject zijn samengevoegd. Vervolgens zijn de nieuwe registratieregels gesimuleerd op dit traject. Het kan zijn dat in de nieuwe situatie eerder wordt afgesloten dan in de huidige systematiek, bijvoorbeeld door de sluitregel “42 dagen na klinisch ontslag”. Zo kunnen in de nieuwe situatie drie DBC-zorgproducten ontstaan uit twee DBC’s. In andere gevallen kunnen ook minder zorgproducten worden gedeclareerd.Praktijkvoorbeeld:
In de huidige systematiek ontstaan twee DBC’s met daarin drie klinische episoden. In de nieuwe systematiek wordt een subtraject op de 42ste dag na klinisch ontslag gesloten. De klinische episoden van deze patiënt liggen meer dan 42 dagen uit elkaar. Daardoor ontstaan in de nieuwe systematiek drie sluitmomenten en drie DBC-zorgproducten voor dezelfde patiënt. In schema ziet het er dan als volgt uit:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() | ![]() | ![]() |
Mag een Add-on direct na uitvoering worden gedeclareerd?In 2012 is het mogelijk om geregistreerde add-on zorgactiviteiten te declareren zodra de zorg is geleverd, dus voordat het subtraject waarin het is geregistreerd is afgesloten. Op het moment dat een zorginstelling een add-on voortijdig wil declareren, dan wordt daarover een afspraak met de zorgverzekeraar van de patiënt gemaakt. Hoe deze declaratie wordt aangeleverd ligt vervolgens aan deze afspraken, maar deze declaratie gaat in niet via de grouper. De officiële afhandeling is dat de zorginstelling geregistreerde add-ons pas naar de grouper stuurt als het subtraject waarbinnen het is geregistreerd is afgesloten. Op dat moment krijgt deze add-on een hashcode en de zorginstelling declareert het DBC-zorgproduct en de add-on(s) bij de zorgverzekeraar. Nogmaals, voortijdige declaratie is geen verplichting, maar een mogelijkheid en de afhandeling hiervan wordt afgesproken tussen zorginstelling en zorgverzekeraar. |
![]() | ![]() | ![]() |
Wat gebeurt er als een zorginstelling twee dezelfde DBC-zorgproducten registreert en declareert?In principe kan een zorgvraag van de patiënt bij één specialisme maar één zorgproduct opleveren. Het is in bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij een dubbelzijdige behandeling mogelijk dat één zorgvraag leidt tot twee zorgproducten. Een voorbeeld is het vervangen van een knie. Er ontstaan twee identieke zorgproducten 'nieuwe knie': één voor de linker- en één voor de rechterknie. De zorgverzekeraar controleert of de declaratie rechtmatig is. De grouper heeft geen 'geheugen' en is daarom niet in staat om de rechtmatigheid te controleren. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe kan het dat de plastisch chirurg bij de DBC 11-00-0001-0011 geen honorarium krijgt?Dit komt doordat de wetenschappelijke vereniging (WV) voor plastische chirurgie geen normtijd aan deze DBC heeft toegekend in de rondrekening voor 2008. Deze DBC komt weliswaar het meest voor bij dit specialisme, maar heeft een nulnormtijd gekregen, omdat deze door de WV als registratieve DBC getypeerd wordt. Omdat de DBC de meest voorkomende was is deze in een top-40 productgroep (0431931) geplaatst waardoor voor deze productgroep (en dus DBC) alleen een tarief voor ziekenhuiskosten wordt verkregen. Aan het begin van 2008 bestonden overigens nog 477 DBC's die een nulnormtijd kregen toegewezen door de verschillende WV's, over het algemeen omdat werd verwacht dat deze DBC's in 2008 niet geregistreerd zouden worden. In de onderstaande tabel is aangegeven bij welke specialismen dit voorkomt en om hoeveel DBC's het daarbij gaat. Overigens zijn deze DBC's niet allemaal nog declarabel op dit moment.
Behalve bij Plastische Chirurgie betekent voor de andere specialismen niet dat voor het uitvoeren van deze DBC's geen honorarium wordt verkregen. DBC's worden ingedeeld in productgroepen en alle DBC's in een productgroep krijgen uiteindelijk een honorariumdeel op basis van de gemiddelde normtijd in die groep. Meer uitleg en een overzicht van de productgroepen waarin DBC's met nulnormtijden voorkomen zijn te vinden in het Gebruikersdocument uitlevering deel 2 v20071201 (pagina 38, 39 en tabel 99 in bijlage 6.5). In de DBC normtijden tabel per specialisme op onze site is na te gaan welke DBC's een nulnormtijd hebben. |
|||||||||||||||||||
![]() | ![]() | ![]() |
In 2010 en 2011 zijn meerdere Diagnose Combinatie Tabellen in omloop. Welke tabel moet worden gebruikt?Er bestaat onduidelijkheid over de toepassing van de Diagnose Combinatie Tabel. De Diagnose Combinatie Tabel kent twee varianten:
De DBC Diagnose Combinatie Tabel (v20071001) is geldig binnen de huidige DBC-systematiek. Deze tabel is te implementeren in een productiesysteem. |
![]() | ![]() | ![]() |
Hoe wordt de kostprijs van een DBC-zorgproduct bepaald?De kostprijs per zorgproduct wordt berekend door het landelijke gemiddelde zorgproductprofiel te vermenigvuldigen met de kostprijs per zorgactiviteit. De kostencomponent van het DBC-zorgproduct wordt vervolgens door middel van indexatie op het niveau van het jaar waarin de tarieven gelden gebracht. De indexfactor per jaar wordt door de NZa vastgesteld. De kostprijs per zorgactiviteit wordt bepaald in samenwerking met de referentiegroep kostprijzen. Dit is een groep van 22 algemene, academische en topklinische ziekenhuizen die lokale kostprijzen volgens een door DBC-Onderhoud vastgesteld model aanleveren. Uit deze lokale kostprijzen wordt een landelijk gemiddelde kostprijs per zorgactiviteit bepaald. In het B-segment kan over de kostencomponent van het tarief worden onderhandeld en komen de ziekenhuizen samen met de verzekeraars tot een lokaal kostentarief. In het A-segment stelt de NZa de landelijke kostprijs per zorgproduct vast (berekend door DBC-Onderhoud). Deze methode is gelijk aan de manier waarop de DBC-tarieven tot stand kwamen. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden in het document Toelichting DOT Tarieven Tabel V20100701. |

